De tijd waarin de temperatuur op het noordelijk halfrond aanzienlijk warmer was dan in de perioden daarvoor en daarna, wordt de middeleeuwse warme periode genoemd. Van de achtste tot begin veertiende eeuw was het klimaat richting pool aanzienlijk zachter dan normaal. Het leek of de aarde haar ouderdom afschudde en zich tooide met een witte mantel van kerken. In die tijd werden bijna alle bisschoppelijke kerken, alsmede alle aan diverse heiligen gewijde kloosters, tot aan de kleinste kapelletjes toe, vervangen door nieuwe gebouwen. Zo uitbundig beschrijft Rodulfus Glaber, een monnik in de abdij van Cluny in Frankrijk, de wereld vlak na de eerste millenniumwisseling. Het was een dynamische tijd, waarin de landbouwproductie groeide en de welvaart toenam. Dat leidde tot de bouw van talrijke romaanse en later vooral gotische kunstwerken. De economische boost van de landbouw op zijn beurt, was weer het gevolg van een uitzonderlijk mild klimaat dat zorgde voor rijke oogsten. De zachte winters en lange zomers, met een gemiddelde temperatuurstijging van niet meer dan twee graden, zorgden voor een iets betere graanopbrengst, meer weidegronden (waardoor de veestapel toenam) en de komst van de wijnstok in zones waar die eerder niet groeide – en ook nu niet groeit. In de middeleeuwse warme periode, met vooral tussen 1100 en 1200 hoge temperaturen, nam de bevolking in Europa toe, bloeide de landbouw en werd de maatschappelijke ontwikkeling versneld. Vanaf begin veertiende eeuw liet de overgang naar een nieuw tijdperk zich over het hele continent gevoelen met hevige schommelingen die uitmondden in een veel koudere periode: de kleine ijstijd, die zou duren tot het midden van de negentiende eeuw.