Johan van Veen waarschuwde vanaf 1937 in publicaties in vaktijdschrift ‘De Ingenieur’ voor de te lage dijken langs de Zeeuwse en Hollandse zeegaten.
Hij was de bedenker van de Europoort en de Eemshaven, hij wilde de Wadden inpolderen en hij pleitte al in 1951 voor het “…sluiten van de kustlijn en de aanleg van zoetwatermeren”.
Van Veen vond sluizen veel te duur in het onderhoud en pleitte voor het afsluiten van de Nieuwe Waterweg in combinatie met de aanleg van de Maasvlakte, inclusief wat nu de Tweede Maasvlakte wordt genoemd.
In een voorlopig rapport uit 1940 werd al geconcludeerd dat de dijken te laag waren.
Vanaf het begin van de oorlog werkte Van Veen aan een plan om de Zuidhollandse eilanden met een dijk aan elkaar te verbinden.
In 1942 kwam hij met een revolutionair plan om de hele kustlijn van Zeeuws-Vlaanderen tot aan Vlieland te sluiten, door gebruik te maken van ‘natuurlijke verlanding’.
En in 1952 werkte Van Veen aan een plan om de zogenoemde ‘Tusschenwateren’ af te sluiten: Haringvliet, Grevelingen en Oosterschelde.
Toen hij in de nacht van De Ramp bij Ouderkerk aan de IJssel een dijkdoorbraak beteugelde, zei hij: ” ’t Is verschrikkelijk, maar de plannen komen uit de kast, je zult het zien!”
Kort na de Ramp werd de Deltacommissie opgericht, met alweer Johan van Veen als secretaris.