De wet, voor de liefhebbers artikel 7:230 BW en artikel 7:271 lid 1 slotzin BW, verbiedt het stapelen van contracten voor bepaalde tijd. Sluit u als verhuurder van een woning een huurcontract van twee jaar en gaat u na afloop van die periode met dezelfde huurder opnieuw een contract voor twee jaar aan, dan merkt de wetgever die laatste, tweede overeenkomst aan als een verlenging voor onbepaalde tijd.
Een enkele keer acht de rechter een stapeling van huurovereenkomsten toch toelaatbaar. Dat was bijvoorbeeld het geval waarbij een verhuurder en huurder (aansluitend op een eerste huurcontract) een tweede huurcontract van twee jaar afsloten, waarin de huurder uitdrukkelijk in een artikel van het huurcontract verklaarde geen beroep te zullen doen op wettelijke huurbeschermingsbepalingen voor zover die voor huurder gelden.
Ook verklaarde de huurder dit artikel volledig gelezen én volledig begrepen te hebben.
Aan het slot van het tweede contract was tenslotte nog het volgende opgenomen: namelijk “dat huurder en verhuurder bewust zijn overeengekomen dat er een (tweede) huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan eindigend op datum x. Huurder is zich hiervan terdege bewust.”
Overigens hadden partijen ook nog onderhandeld over een nieuwe, iets hogere, huurprijs.
Onder de geschetste omstandigheden vond het Gerechtshof 's-Hertogenbosch een uitzondering op de hoofdregel gerechtvaardigd.
Het hof is van mening dat partijen duidelijk een andere bedoeling hadden dan de overeenkomst voor onbepaalde tijd te verlengen.
Dit betekent dat een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, die aansluit op een eerdere overeenkomst voor bepaalde tijd, nog niet per definitie als een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd hoeft te worden aangemerkt.
Indien partijen duidelijk een andere bedoeling blijken te hebben gehad, is stapeling van twee huurcontracten voor bepaalde tijd dus toch feitelijk mogelijk.